Terug

ONWERKELIJKHEID IN CORONATIJD

Maart 2020; het begin van een Coronatijdperk. We hadden geen idee. Hoe onwerkelijk was ons leven ineens? Frédérique Klijnsma schreef er een gedicht over.

Op straat is het stil.

Het nieuws is treurig.

Maatregelen voor een ieder.

Geen school, geen terras.

In je eentje naar de supermarkt.

Onderweg zie ik mensen.

Samen of alleen.

In groepen buiten of opgesloten binnen.

In de supermarkt een bang meisje.

Ze vult de schappen.

Ik zie de mensen.

Ze grijpen spullen langs haar heen.

Ik zie haar blik. Ik blijf staan.

Ze vraagt of ik erbij wil.

Ik zeg niks.

Ik lach naar haar.

Ze lacht terug.

De bange blik is even weg.

Tot ik wil verderlopen.

Ze duikt in elkaar.

Ik vraag of het wel gaat.

Vlug zegt ze dat het wel gaat.

Diep vanbinnen weet ik beter.

Tijdens het afrekenen komt er iemand achter mij staan.

Dichtbij, te dichtbij.

Ik kijk om en wil mijn mond open doen.

Wat zeg je dan?

Ik sluit mijn mond en zet een stap naar voren.

De producten op de band zie ik door de vingers van de caissière gaan.

Ze praat met de oude vrouw die voor mij aan de buurt is.

Net alsof er niks aan de hand is.

Ik kijk om mij heen.

Een kleine groep mensen staan bij elkaar te kletsen.

Een ander loopt met een mondmasker voor.

Anderen kijken net of ze iemand hebben zien doodgaan.

Ik kijk terug naar de oude mevrouw.

Ze wil graag contant betalen.

De caissière haar gezicht staat niet zo vrolijk meer.

Het is ineens doodstil.

Ik hoor 1 iemand hijgen.

Het is de persoon achter mij.

Weer te dichtbij.

Lichtelijk valt er paniek over me heen.

Tot ik de oude vrouw hoor zeggen dat ze ook wel kan pinnen.

De wereld lijkt weer door te gaan.

De caissière praat over het weer.

Ik zeg niks terug.

Ik kijk naar haar scherm voor de kassa.

Naar de desinfectiedoekjes naast haar.

Ik kijk naar haar verwrongen lach.

Dan kijk ik haar in haar ogen.

Haar ogen huilen, schieten heen en weer.

Ik betaal en wens haar een fijne dag verder.

Tot ik word tegengehouden.

Een medewerker houdt een doek en een fles vast.

Hij vraagt iets, het dringt niet bij mij door.

Mijn kar wordt vastgepakt.

En hoor wat hij zegt.

Ik geef de kar en loop de winkel uit.

Terug naar huis kijk ik beter.

Ik zie mensen binnen, ze huilen.

Overal beren voor het raam.

Ik zie een klein meisje op de stoep.

Ze kijkt niet blij.

Ik zwaai naar haar.

Ze zwaait terug en lacht naar mij.

Ik loop verder.

En ik zwaai naar de mensen binnen in de buurt.

Ze zwaaien allemaal terug.

Het hele blok zit thuis.

Nu pas valt het me op.

Alles voelt zo vreemd.

Een beetje niet echt.

Net of je in een hele slechte film beland bent.

Ik besef wat de denkwijze van verschillende mensen is.

Ze zijn niet bang, ze zijn bezorgd.

Het komt zo dichtbij.

Bijna te proeven.

Ik adem diep.

Ik hoor iemand hoesten.

Om me heen hoor ik gesmoes.

Mensen lopen weg.

Ik blijf staan.

De hoester ook.

Hij vraagt waarom ik blijf staan.

Ik ben niet bang.

Dat is wat ik zeg en ik glimlach.

Geschreven Maart 2020

Frédérique Klijnsma

Onderwijsassistent

Hoe heb jij de Coronatijd tot nu ervaren?

Ben jij bang, bezorgd of juist positief over de toekomst?

Het post-coronatijdperk: hoe ziet de wereld er volgens jou straks uit?